voeg uw bericht / foto toe
- 't Mag Gezien'tje van september-okto...
- 't Mag Gezien'tje van juli en august...
- 't Mag Gezien'tje of de nieuwsbrief ...
- Programma maart-april 2014 van Actie...
- Programma van Actief-Middelkerke vzw...
- Met Actief-Middelkerke naar 't Nieuw...
- 't Mag Gezien'tje van november-decem...
- Met Actief-Middelkerke vzw op bezoek...
- Centraal Station van Brussel en de K...
- Met Actief-Middelkerke vzw door de Z...
- Heeft u financiering nodig? Heeft ...
- wanneer is de eerstvolgende mobiel k...
- Fietstocht 24/4. Waar vertrek? Kan i...
- Hoe kan ik lid worden samen met mijn...
- Beste Wij hebben ons lidgeld op 19...
- Beste, wij verwegen om eventueel aa...
- Beste, Kan u mij aub een programmab...
- Good Day, de heer / mevrouw Heeft...
- Graag een antwoord op mij eerste vra...
- Beste , Graag had ik wat meer ...
Erfgoedwandeling in Sint Idesbald
door: harry, update: 13-09-2007 06:04
grootletter
fotocredit: harry
Erfgoedwandeling in St. Idesbald op vrijdag 14 september 2007
Vertrek wandeling : om 15u00 aan de tramhalte “Sint Idesbald” (vanaf Middelkerke moet men ongeveer 50 minuten rekenen ) of vertrek rond 14u00 in Middelkerke
Terrein : voetpaden en verharde paden, goed wandelschoeisel – voor goede wandelaars
Deelname : gratis (vervoer voor eigen rekening)
Verantwoordelijke : Harry De Bock
Inschrijven : 1 dag vooraf of ter plaatse voor de wandeling bij Henriette Beun 059/301026

Baaltje
De geschiedenis van de Westkust in het algemeen en Koksijde in het bijzonder is innig verbonden met de middeleeuwse hoogbloei van de Duinenabdij. Idesbald Van der Gracht was er de derde cisterciënserabt van 1155 tot 1167. Op 13 november 1623 ontdekten monniken onder de puinen van de kapittelzaal van de inmiddels verwoeste abdij een loden kist met daarin het ongeschonden lichaam van Idesbald.
Uiteraard betekende deze ontdekking het begin van een diepe verering voor abt Idesbaldus in het vrome kustgebied. Het is niet geweten wanneer het eerste kruis (en de eventueel opeenvolgende) op de plaats van de gewijde vondst werd geplant. In elk geval werd "een" kruis in de nakoortsen van de Franse Revolutie op 11 juni 1798 "uit de duinen" verwijderd en verbrand. (In 1819 bouwden de vijf laatste religieuzen van Ter Duinen een kapelletje op de vindplaats van de loden kist.)
Het zou evenwel 185 jaar duren eer er een nieuw "Baaldjes Kruus" kwam. Dat gebeurde pas op 23 april 1983, op initiatief van de heemkundige kring Bachten de Kupe. Verweerd door de tijd (alhoewel amper 13 jaar) werd dat kruis in september '95 weggenomen en op 22 april 1996 door alweer een nieuw kruis (gemaakt door de gemeentelijke technische diensten) vervangen.
De devotie tot Idesbaldus (in 1894 door paus Leo XIII zalig verklaard en sedert 6 april 1831 definitief rustend in de kerk van OLV ter Potterie te Brugge, stad waar de kist met zijn stoffelijke resten al aanwezig was sinds 1627) trotseerde dus de eeuwen, ook tot in onze tijd. De jaarlijkse bedevaart naar het kapelletje en het kruis is er een uiting van.

St. Idesbald is 103 jaar oud
De geschiedenis van Sint-Idesbald start in 1904 wanneer Ernest Bertrand in de nabijheid van het strand een houten chalet (Chalet Betrand) neerpoot. Deze rustplaats bood de wandelaars de kans om even bij hun positieven te komen en een drankje te nuttigen.
Twee jaar later bouwde Bertrand op deze plaats het “Hotel des Dunes ” (thans tearoom Palermo – hoek Strandlaan-Zeedijk).
Het toerisme – dat toen nog een vrije elitaire bedoening was – kwam geleidelijk aan tot ontwikkeling en “Zeepanne-Baden” ontstond.  Ook kunstenaars en artiesten ontdekten stilaan deze parel aan de westkust = het kunstenaarsoord (zie kunstenaars met vakantie)
Volgens Idesbaldus Bertrand, zoon van de stichter van het Hotel des Dunes, kwamen de toeristen voor de eerste wereldoorlog allemaal uit de betere (hoofdzakelijk Franssprekende) burgerij.
Ze behielpen zich met beperkte strandmiddelen en gebreide (!) badkostuums.

Eigenlijke uitbouw in handen van promotiemaatschappijen, o.m. .Societe de Saint-ldesbald" (1907).

In 1910 werden Sint-Idesbald en De Panne verbonden via een paardentram, in 1915 opgevolgd door een stoomtram.

Vanaf 1910: bouw van eerste handelshuizen en villa's in duurzame materialen

In 1912, werd de naam Zeepanne-Baden onder druk van architecten omgevormd tot Coxyde-St.-Idesbaldus (Sint-Idesbald). Dit was ook de periode waarin koster en gemeentesecretaris Karel Vannecke zijn burgers aanmaande tot “het goed ontvangen der vreemdelingen”. Toerismelessen avant-la-lettre, zeg maar. Inmiddels leefde al 53% van de inwoners van het “vreemdelingenverkeer”.

WO I
Tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt Baaltje overspoeld met militairen en vluchtelingen. Wanneer het Belgisch Leger beslist om de weiden rond de abdijhoeve Ten Bogaerde om
te vormen tot vliegveld, deelt Sint-Idesbald in de brokken. Regelmatig krijgen de Baaltjenaars af te rekenen met Duitse bombardementen en nachtelijke gasgranaten. Het gaat van kwaad naar erger wanneer er begin 1915 een tyfusepidemie uitbreekt in onze regio. In de Bertrandlaan wordt een burgerlijk hospitaal opgericht. Medio 1917 krijgen de
Baaltjenaars het bevel hun gemeente te verlaten.

Na WOI is er een grote groei wordt echter opnieuw abrupt geremd wanneer WOII uitbreekt. Zo rond 1943 ligt Sint-Idesbald bezaaid met mijnen, waardoor heel veel inwoners beslissen om veiliger oorden op te zoeken. Maar na het oorlogsgeweld neemt Baaltje de draad gauw op. Ze zet haar ‘remonte’ verder. Het charmante badplaatsje groeit, jaar op jaar. Tussen 1940 en 1970 verdubbelt het aantal inwoners van de gemeente Koksijde.

 

In de loop der jaren ontwikkelde St. -Idesbald zich tot een meer volwassen badplaats, met heel veel villa's in Normandische stijl.
Ook heel wat kunstenaars kwamen hier op vakantie, de schrijvers Karel Van de Woestijne, Willem Elsschot, Herman Teirlinck, Maurice Renard, Maurice Roelants,…; schilders René Degraeve, Julien Dillens, Jef Lambeaux, Constant Meunier, Jan Van Looy, George Grard, Paul Delvaux, Valerius De Sadeleer, Taf Wallet

“ Als hotelier was ik ook één van de aangevers van de stichting van een horeca-afdeling in 1946. De hoteliers die tot dan toe niet verenigd waren in een hoteliersbond, konden niet rechtstreeks profiteren van de verschillende lucratieve voordelen om op een goedkopere manier te kunnen genieten van steenkolen en textielbons. Ik zetelde in het eerste bestuur. In een minimum van tijd waren 85 hotels, pensions en restaurants aangesloten”.
 “De naam Sint-Idesbald is er pas later gekomen, in mijn jeugd sprak men altijd van Zee-Pannebaden. Mijn vader Henri was visser en zijn ‘pannenschuit' lag op het strand van St.-Idesbald niet ver van de villa Tobogan. Hij deed ook één van die legendarische reizen naar Ijsland, later werd hij keuterboer. We moesten naar school in Koksijde-Dorp op onze klompen. Na een zandwegeltje volgden we meestal de Zeestraat (nu Strandlaan) bedekt met kiezel en gedeeltelijk met kasseien, tot aan het kruispunt van de Zeepanne om dan via de Pannestraat (nu R. Vandammestraat) naar het dorp en de Kerkstraat te trekken waar de zusterschool en jongensschool gevestigd waren. Ik zag in mijn jeugd St.-Idesbald evolueren: het ‘Hotel des dunes' en ‘Maritiem' stonden er al en voor ons vermaak was er het gasthuis Tobogan, waar we van de hoge duinen naar beneden konden ‘slieren'. Ter hoogte van de Kerkepanne vestigden de aannemers Boeve zich, werd het café Lusthof opgericht en groeide langzamerhand een badplaats. De paardentram die alleen van Koksijde-Dorp naar Koksijde-Bad toeristen ophaalde, werd uitgebreid met een stopplaats in Sint -Idesbald.
Twee jaar jonger dan Remi en met een enorm geheugen is Victoor Ticket. Hij kent heel wat inwoners met naam, voornaam en zelfs bijnaam. Bij ieder huis en bewoner heeft hij een verhaal. “
“Mijn grootvader Louis Ticket was de eerste kolenhandelaar in “Baaldje”. Na mijn huwelijk met Marie Lemahieu bleven we nog een tijdje thuis wonen, maar na de oorlog verhuisden we naar een woning in de Strandlaan 118, daarna naar Koksijde.
“ Baaldje zag er indertijd heel wat anders uit. Op de hoek van de Pannestraat en Zeestraat waren er drie cafés: Zeepanne, Chalet de Bogaerde en Au bon Pêcheur. Iets verder naar Veurne café De Fluit met daartegenover de windmolen van Ciesje Legein. Café Duinencafé van David Loncke was door de duinen te bereiken (huidige Van Looylaan). In de Strandlaan was er het café van Constant Redey en Zenobie Ticket. Waar het schrijnwerkersbedrijf Delie werd opgericht, woonde voorheen aannemer en landbouwer Pierre Ticket. Hij legde in St.-Idesbald en Koksijde al de steegjes aan in bakstenen. Na de eerste wereldoorlog vestigde aannemer Camiel Boeve zich in de nabijheid van het huidig café-restaurant ' t Lusthof. Baaldje kende heel wat dorpsfiguren: Engel Haelewyck, architect Albert Nazy, Louis Goderis, Camiel Degraeuwe, Henri Hosten en Elza Depuydt, Rubben en Marietje Vilain, Fonsje Strubbe en Julien Roels. Meer naar het strand toe, waar nu bakkerij Hennebel is gevestigd woonden schrijnwerker Gaston Mahieu en loodgieter Jef Ryckman,die later het hotel Ryckman stichtte. Volledig aan zee was er het Hotel des Dunes, Hotel Maritiem van de familie Desaever en Hotel des Bains. Op de geïmproviseerde Zeedijk pension Adri en de enkele oude villa's die later dienst deden als kinderopvangtehuis Les Glaïeuls. Aan de westzijde was er de gekende villa Tobogan – met zijn prachtige glijbaan. Tijdens de 1 ste wereldoorlog deed wijlen burgemeester Jacques Van Buggenhout er zijn militaire dienst.”


De Wandeling

Zeedijk richting De Panne
De duinen bleven hier tot omstreeks 1900 en waren in handen van de naamloze vennootschappen die de badplaatsen Koksijde en Sint-Idesbald uitbouwden.

L. - Lucionplein
Via Pieterlaan naar duin “Mieke Hill”

Albert Dumontlaan
Architect Albert Dumont ligt aan de basis van de uitbouw van De Panne. Ook in Sint-Idesbald was hij eigenaar van ruim 2 hectaren duingebied.
Mieke Hill
hoogste duin genoemd naar de dochter van Albert Dumont. Hier stond vroegereen houten chalet ingericht als laiterie, kinderen konder er genieten van de “tobogan” = een reuzenglijbaan. Omstreeks 1920 werd het huis herbouwd in baksteen, met op het dak een kleine uitkijktoren, die tijdens WOII verdween. Het is nu een vakantiewoning


Amper enkele uren voor de graafwerken voor een appartementsgebouw startten,
legde toenmalig Vlaams Minister voor Ruimtelijke Ordening Johan Sauwens de werken
stil. De zaak sleepte aan, het Duinendecreet trad in voege en het gevaar was geweken…


De Duin Mieke Hill heeft in de loop der jaren al héél wat Baaltjenaars veel kopzorgen gezorgd. De hoogtste duin met villa van Sint-Idesbald is voor de inwoners een waar symbool geworden van de groei van de badplaats.
Nog maar net geklasseerd als beschermd landschap d.d. 08/04/1993 werd deze beslissing tenietgedaan door de Raad van State d.d. 24/03/1994.
Verdere pogingen door het gemeentebestuur sindsdien om het gezicht van Sint-Idesbald te bewaren zijn steeds tevergeefs geweest daar de commissie die de beschermingen dient te adviseren steeds een negatief advies gaf.
In de jaren '90 moest de Mieke Hill ei zo na plaats ruimen voor een appartementsgebouw. Dit was uiteraard niet zonder protest van de baaltjenaars. Amper enkele uren voor de graafwerken startten, legde toenmalig minister voor Ruimtelijke Ordening Johan Sauwens de werken stil. De zaak sleepte aan, het Duinendecreet trad in voege en het gevaar was geweken.
Dat deze duin met villa voor de gemeente Koksijde zoveel betekent is niet te verwonderen.
Ze maakt immers deel uit van een aantal gezichten van de gemeente van in het begin van de vorige eeuw toen de eerste tekenen van het toerisme ontstonden.
Dit mooie pand genaamd naar de dochter van de welgekende architect en toenmalig eigenaar Albert Dumont werd lange tijd uitgebaat als tearoom-laiterie. De uitbaters gingen prat op hun assortiment wijn, likeuren en bieren. Toch waren het unieke panoramische zicht en de 'toboggan' de ultieme publiekstrekkers. Deze reuzenglijbaan bestond eindelijk maar uit een lange reeks aaneen getimmerde planken.
Met een primitief sleetje zoefde jong en oud zo van duintop naar zeeniveau.
Talrijke postkaarten zijn uit die periode nog bewaard en getuigen van de betekenis van de Mieke Hill voor de vroege toeristen in Sint-Idesbald.
Tijdens de tweede wereldoorlog werd een deel van het dak, toen nog met torentje en schoorsteen, door een Duits bombardement vernietigd.
Om de herstellingen te kunnen bekostigen dienden de toenmalige eigenaars jammerlijk genoeg een lapje grond voor de villa verkopen. Op die grond staat nu een villa. 


 

L. – Herman Teirlincklaan (schrijver die in St-Idesbald zijn vakantie doorbracht)
Residentie “Anno 2000”, hoek met de Herman Teirlincklaan. Vroeger stond op exact dezelfde plaats namelijk
de villa “Zon en Anker” hét favoriete vakantiehuisje van Herman Teirlinck (1879-1967)


Herman Teirlinck werd geboren te St.-Jans-Molenbeek op 24 februari 1879. Hij was het vijfde kind en enige zoon van de bekende Oostvlaamse taal- en volkskundige Isidoor Teirlinck en Oda van Nieuwenhove.Vader en moeder stonden in het onderwijs te Brussel. Als kind had Herman Teirlinck een zwakke gezondheid. Hij bracht dan ook een groot deel van zijn jeugd door in de gezonde buitenlucht van Zegelsem (Oost-Vlaanderen) bij zijn vaderlijke grootouders. Van 1886 tot 1890 was hij leerling in de Lagere School Karel Buls te Brussel. Hij volgde de Grieks-Latijnse humaniora aan het Koninklijk Atheneum te Brussel. Vader Teirlinck was een ijverig taalkundige en schreef zelfs de roman "Arm Vlaanderen", die bij niet-kerkelijke lezers een vrij grote bekendheid verwierf. In 1897 liet Herman zich - op aandringen van zijn vader - inschrijven in de Faculteit der Wetenschappen te Brussel. Hij wou echter schrijver worden, geen wetenschapsmens. Met de studies in de wetenschappen liep het dan ook verkeerd en Herman Teirlinck trok naar de Gentse universiteit waar hij Germaanse filologie (1) studeerde. Hij liet zich echter weinig op de universiteit zien en ook deze studies gaf hij op. In 1902 huwde hij met Mathilde Lauwers en werd hij beambte bij de Schone Kunsten van het Stadsbestuur te Brussel. Reeds in datzelfde jaar verscheen "De wonderbare wereld", gevolgd in 1903 door "Het stille gesternte". In 1903 was hij medestichter van het tijdschrift "Vlaanderen", dat "Van nu en straks" opvolgde. In 1906 werd hij correspondent van het "Algemeen Handelsblad", een Amsterdamse krant. Van 1912 tot 1926 was hij directeur van een meubelfabriek. Hij werd zelfs secretaris van de vakbond der werkgevers in de houtindustrie. In die hoedanigheid ondernam hij een reis naar het toenmalige Belgisch Kongo. Dit alles belette hem niet om verder actief te zijn op literair gebied. Getuigen hiervan zijn "Johan Doxa" en "De lemen torens" in 1917 en "Nieuwe Uilenspiegel" (1922). Van 1910 tot 1936 was hij tevens leraar Nederlandse letterkunde aan de Stedelijke Jongensnormaalschool te Brussel. Van 1925 tot 1938 doceerde hij hetzelfde vak aan de Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen en van 1928 tot 1936 aan de de Stedelijke Meisjesnormaalschool te Brussel.. In 1919 werd hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Van toen af werd hij een belangrijk man. Hij werd Vlaams leraar aan het Koninklijk Hof en was raadsheer voor Kunst en Wetenschap van drie koningen : Albert I, Leopold III en Boudewijn. Herman Teirlinck werd meermaals gelauwerd. Hij ontving de Staatsprijs voor toneelletterkunde (1925 en 1928), de Staatsprijs voor zijn gezamenlijk werk (1950) en de Grote Prijs der Nederlandse Letteren (1956). Hij werd viermaal doctor honoris causa, nl. aan de universiteiten van Brussel (1938), Amsterdam (1947), Luik (1954) en Gent (1959). Dit is uniek in de geschiedenis der Vlaamse letteren.
Herman Teirlinck schreef typisch "Vlaams". Zijn grote voorbeeld was Karel van de Woestijne. Dit komt het best tot uiting in werken als "'t Bedrijf van den kwade" en "De doolage". Dit viel ook in de smaak van het Nederlands publiek. Ook zijn omgang met impressionistische (2) schilders had een sterke invloed op zijn werk. Zijn bundel "Zon" (zoals zovelen van die generatie begon hij zijn litteraire loopbaan als dichter) is daar het voornaamste voorbeeld van. In de loop der jaren "vernederlandste" zijn taalgebruik.
Toneel lag Herman Teirlinck het meest aan het hart. Hij schreef o.a. "De vertraagde film" (1922), "Ik dien" (1924) en "De man zonder lijf" (1925). Deze werken doen theater ervaren als een massakunst van getuigenis en actie met de moderne mens als inzet. Andere toneelwerken van zijn hand zijn "De ekster en de galg" (1937 en "Ave" (1938) waarin hij experimenteerde met moderne technieken om de toeschouwers meer in het gebeuren te betrekken. In zijn laatste periode, die begon met de roman "Maria Speermalie" in 1940, benadert hij het existentialisme (3). Ook het ongebonden driftleven van de mens,  samen met zijn verfijnde overbeschaving en zijn elkaar tegensprekende uitersten, komen nu aan bod. In "Het gevecht met de engel", verschenen in 1952, wordt de onafwendbaarheid van het noodlot benadrukt. Zijn laatste roman "Zelfportret of Het galgemaal" (1955) kan geïnterpreteerd worden als een soort gewetensonderzoek.
"Maria Speermalie" en "Rolande met de bles" (1944) werden verfilmd.
Herman Teirlinck stierf te Beersel-Lot op 4 februari 1967.


Koninklijke Baan kruisen
Pannelaan
R. - Zeepannelaan

Nr. 49. "Le Carbet" (hoek met Leeuwerikenweg) . Alleenstaand hoekhuis getuigend van late nawerking van z.g. "Internationale stijl"; gesigneerd "Marcel Leborgne. Archit. Marcinelle (Charleroi). Bouvl. Frères. Entrepr. St.-Idesbald", cf. gevelsteen op l.hekpijler; beschilderd bakstenen gebouw; hoek geaccentueerd d.m.v. afgeronde, uitgeholde hoektrav.; voorts rechth. vormen; buisvormige leuningen en diefijzers. De hoek van het huis werd volledig opengewerkt, als een soort monumentaal overdekt terras.

L. – Leeuwenrikenweg
Voorbij villa “Onder de Kap (nr. 7) L. – Geiteweg
Zoals in heel wat verkavelingen aan de kust, was er ook in St-Idesbald een onderscheid in de straten : brede hoofdstraten, wat smallere straten waar het verkeer nog door kan en smalle paden tussen de villa’s, voorbehouden aan voetgangers.
L. - Weg voor Villa Marnelles
L. - Jan Pootlaan
L. – Pannelaan
hoek met Leeuwerikenweg voorbeeld van “modernistische” gebouw. Architect = Ph. Van Marcke een ingenieur uit De Panne

R. – Zeepannelaan
Hier staan enkele van de oudste cottages van St-Idesbald : villa “Sans Gène” en “Suzette” (nr. 37-39), “Mady” (nr. 35), “Dabora” (nr. 33), “Les Alouettes” (nr. 31). De paden dateren van voor WO I, toen de duinen hier nog grotendeels onbebouwd waren . Typisch voor de bakstenenhuizen zijn het gevarieerde dakenspel, het gebruik van imitatievakwerk en de luifeltjes, balkons en erkers die het speelse karakter versterken.
Heel wat vakantiewoningen werd opgetrokken in een ruimere tuin zoals bv. de villa “Mon Repos” (Hofstedeweg 2 = zijstraat rechts)


R. – Kapelstraat
R. – J. Dillenslaan
op de hoek beelden van Julien Dillens (1849 – 1904) – beelhouwer van o.a. de beelden op de tettenbrug in Oostende
Jan Poot – toneelschrijver en directeur van de Brusselse Koninklijke Vlaamse Schouwburg.
Beiden brachten ook hun vakantie door in St.-Idesbald

L. – Jan Pootlaan
(Hoek met Kapelstraat) Villa Wistik trekt de aandacht. Het is een ontwerp van Albert Nazy uit 1929. Typerend voor het huis zijn het gebruik van lokale grijze baksteen, de sterk overstekende dakranden, het spel van erkers en balkons en het kleurige houtwerk. Albert Nazy was een architect en aannemer uit Brussel, die tussen 1909 en 1940 regelmatig in St-Idesbald verbleef en er zich tot een van de meest actieve architecten van de badplaats ontpopte. De villa’s van de Ernest Bertrandlaan zijn ook van zijn hand.

R. – E. Bertrandlaan
R. – Albert Nazyllan (architect)
L. – Pannelaan
L. -  Paul Devauxlaan , oorspronkelijk was dit de Kabouterweg, maar in 1997, drie jaar na het overlijden van de schilder, werd ze herdoopt tot de Dekvauxlaan. Het huis ’t Vlierhof werd ingericht als museum
 Delvauxmuseum
De IJslandvaarder Henri Maes, bouwde in 1886 in de duinen voor zijn gezin van 9 kinderen de woning ’t Vlierhof. Zijn geboortehuis werd doorverkocht aan de Nederlandse kunstenaar (schilder) John Bakker, die er een ontmoeteingsplaats voor kunstenaars van maakte. Na enkele jaren werd het verkocht aan de Brusselse familie Sneyers die er een danszaal bijbouwde. De familie d’Haufayt werden in 1938 de nieuwe eigenaars en bouwden er paardenstallen bij. Tijdens WOII werd het pand opgeëist door de Duitse bezetter en liep het heel wat schade op. De gebouwen werden hersteld en er kwam een Engels geïnspireerde tuin, ook tennisbanen en een minigolf met theesalon werden aangelegd. In 1982 richtte de Stichting Paul Delvaux er voor deze surrealistische schilder een museum in. Delvaux heeft nooit in het huis gewoond maar heeft wel een band met St. Idesbald. In 1945 verbleef hij er een zestal weken bij zijn vriend beeldhouwer George Grard en omstreeks 1950 bouwde hij in de Noordduinen een woning met atelier.

Paul Delvaux
Paul Delvaux (Antheit, 23 september 1897 – Veurne, 20 juli 1994) was een Belgische kunstschilder.
Hij werd vaak ondergebracht bij het Belgische surrealisme, maar aanvaardde deze verwijzing niet. Hij vond deze interpretatie van zijn werk te eng, te formalistisch en vooral te oppervlakkig. Hij wilde gewoon "een poëtisch realisme" creëren en daarin bereikte hij een ongekende hoogte en internationale bekendheid.
Zijn vader was advocaat te Brussel en de jonge Paul was voorbestemd voor de architectuur. Hij volgde daartoe de Brusselse Academie, maar kreeg terzelfdertijd een opleiding in het schildersatelier van Contant Montald, net als zijn tijdgenoot René Magritte.
Hij werd voor het eerst opgenomen in een groepsexpositie bij "Le Sillon", in 1924. Hij werkte enige jaren in de omgeving van Bosvoorde, naar een permekiaans-expressionistische weergave. Op de "Foire du Midi" te Brussel in 1932 kreeg hij de schok die zijn kunst verder zou bepalen, bij zijn bezoek aan het "Musée Spitzner". In 1934, bij zijn kennismaking met het werk uit 1926 van Giorgio de Chirico, op de Minotaurus-expositie, onderging zijn stijl een beslissende ommekeer: de poëet Delvaux stak van wal.
Op 1 januari 1933 stierf zijn moeder, die "zijn eerste liefde" (zijn "Tam") nooit had aanvaard. Datzelfde jaar vernietigde hij meer dan 100 van zijn vroegste werken. Hoewel niet bepaald opgetogen over de surrealistische schilderijen van Magritte, stelden beide meesters in 1936 toch gelijktijdig ten toon in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten. Hier bleek al duidelijk dat Delvaux zijn eigen weg ging, naar het poëtische toe, wel met surrealistische onwaarschijnlijkheden.
Zijn vader stierf in 1937. In dat jaar trouwde hij met Suzanne Purnal. Het huwelijk werd echter een emotioneel fiasco. Ontgoocheling en eenzaamheid werden een zodanige bron van inspiratie, dat hij in deze periode zijn allerbeste werk creëerde. 1938 werd een uitzonderlijk vruchtbaar jaar. Hij exposeerde op de "Exposition Internationale du Surréalisme", georganiseerd door Marcel Duchamp, te Parijs in januari. In juni was hij op eenzelfde tentoonstelling te Amsterdam, ditmaal georganiseerd door André Breton en Paul Eluard. Te Londen was hij te zien in de London Gallery van Edouard Mesens. Hij ontving nog de Prix de l'Académie Picard en reisde voor het eerst naar Italië.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog weigerde hij te exposeren. In de winter van 1944-45 kreeg hij, in het Paleis voor Schone Kunsten, zijn eerste grote retrospectieve. De Belgische cineast Henri Storck maakte de film "Le monde de Paul Delvaux". In 1947 ontmoette hij te Sint-Idesbald opnieuw en totaal onverwacht zijn eerste geliefde Anne-Marie De Martelaere, zijn "Tam". Hierop verliet hij zijn vrouw. Hij huwde Tam tenslotte op 25 oktober 1952.
Hij werd professor aan de "Ecole Nationale de la Cambre" te Brussel in 1950 en realiseerde in 1952 het muurfresco in de Kursaal van Oostende. In 1954 nam hij deel aan de XXVIIste Biennale van Venetië. De treinen, de stations, de naakten met de grote droomogen en de elektriciteitspalen tussen de Griekse tempels waren intussen gemeengoed geworden. De Italiaanse Reggio Emilia-prijs viel hem te beurt in 1955. In 1956 reisde hij naar Griekenland, het land van zijn zo vaak geschilderde tempelgalerijen. Op 5 juli werd hij opgenomen in de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België.
10 jaar later ontving hij de Belgische Staatsprijs voor zijn gezamenlijk kunstwerk en werd hij benoemd tot Voorzitter van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Vanaf 1966 woonde hij al de helft van het jaar in het Park te Veurne. Henri Storck realiseerde in 1971 een nieuwe film: "Paul Delvaux ou les femmes défendues", ditmaal naar een draaiboek van René Micha.
De Franse Académie beloonde hem als "Officier de l'Ordre des Arts et des Lettres de France" in 1972.
In 1973 ontving hij de Rembrandt-prijs van de Johann Wolfgang von Goethe-Stiftung te Bazel. Terzelfdertijd organiseerde het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam zijn grote oeverzichtstentoonstelling. Deze expositie werd hernomen, het jaar daarop, in Japan, in de Nationale Musea van Tokio en van Kioto. In het Beurs-metrostation, te Brussel, maakte hij de monumentale wandschildering, in 1978. Dat jaar werd hij ook ereburger van de stad Veurne.
De Brusselse Université Libre nam Paul Delvaux op als Doctor Honoris Causa in 1979. De Amerikaanse pop-kunstenaar Andy Warhol ontmoette Delvaux te Brussel, in 1981, en maakte een reeks portretten van de schilder.
Op 26 juni 1982 werd te Sint-Idesbald het Paul Delvaux-museum geopend. In de 10 jaar voor zijn dood volgden nog exposities in Parijs, Ferrara, München, Tokio, Osaka, Yokohama en Himeji.
Surrealisme
Het surrealisme is een schilderstijl van de Europese kunststromingen in de moderne kunst in de 20e eeuw. Het hoogtepunt van het surrealisme is tussen 1925 en 1940, zowel in de schilderkunst als in de beeldhouwkunst.
Het is de Franse schrijver en essayist André Breton, die in 1924 zijn opvattingen omtrent het surrealisme in de kunst, vooral de schilderkunst en de literatuur, te boek stelt in het Manifest van het Surrealisme (Frans: Manifeste du Surrealisme). Over de relatie tussen het surrealisme en de schilderkunst publiceerde hij in 1928 "Le surréalisme et la peinture", dat in 1965 met vele nieuwe toevoeging nogmaals werd uitgegeven.
Teleurgesteld in het, door de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog al te optimistisch gebleken, rationalisme en geïnspireerd door de ideeën van Sigmund Freud, stellen surrealisten de door vrije associaties gekenmerkte bewustzijnstoestand van de droom centraal.
Salvador Dalí
René Magritte zijn twee surrealisten



Heel wat huizen in de Paul Delvauxlaan dateren uit het interbellum, een periode van grote bouwactiviteit in de meeste Vlaamse badplaatsen. Verschillende woningen in deze straat werden opgetrokken naar de plannen van Charles Schaessens. Deze lokale architect woonde in de Strandlaan en was onder meer ook in Veurne, Koksijde en Nieuwpoort actief. Voor de villa’s in St-Idesbald opteerde hij vaak voor art deco. Vooral de strakkere vormgeving, het verwerken van geometriche motieven en het decoratieve metselwerk valle op. Een huisnaam als “De driehoek” (nr. 18 zal zeker geen toeval geweest zijn.

(Hoek Schaessensstraat) Mooiste voorbeeld van de vissershuisje die de oudste bebouwing van St-Idesbald vormen

L. – J. Van Looylaan
L. -  Strandlaan
Straat oversteken
L. Rond Hotellaan
Voormalig hotel “Exelsior”. Het gebouw in art decostijl valt op door zijn prominente ligging. Naast baksteen gebruikte de Ieperse stadsarchitect Gabriël Gits bij de bouw van het hotel ook heel wat beton, onder meer de balkons en de vreemde pilasters die gevels, ritmeren. Het voormalig hotel wordt nu voor zeeklassen gebruikt

L. – Dwarsstraat
R. – Kroonlaan
Rondpunt
R. – Charles Leyslaan
R. – Duinenkranslaan
L. – Noorduinen
R. - Geel volgen
L. – Oranje volgen
L. -  Grijs volgen
L. – Leopold III laan

De Zuid-Abdijmolen werd gebouwd op de aloude "meulewalle" waar Karel Loppens na de Eerste Wereldoorlog de grondvesten van de vroegere molen terugvond. Hij schreef hierover "Nous avons retrouvé l'emplacement du moulin du Nord. Une petite d'une encore appelée, 'de kleine meulewalle' se trouvait au nord de l'ancienne Abbaye. Nous y avons découvert les fondations de l'ancien moulin, construite en briques de grandes dimensions: longeur 28 à 29 cent. - largeur 14 cent. Epaisser 8 cent."
Na de Tweede Wereldoorlog duidde burgemeester Jaak Van Buggenhout de plaats aan, waar volgens het schilderij van Pieter Pourbus, gewijd aan de abdij van Ten Duinen, eertijds de Noord- en Zuidmolens hadden gestaan. De Zuidmolen stond wel degelijk op het duin dat in de volksmond "meulewal" of "doornover" werd genoemd. Toen werd beslist dat de Zuid-Abdijmolen zou herrijzen. Hiertoe werd door het gemeentebestuur uitgekeken naar een passende molen. Deze werd gevonden te Houtem-Veurne en stamde uit 1773, wat bleek uit een jaartal in de teerlingen, en noemde daar de Lootvoetmolen. De laatste molenaar in Houtem-Veurne was Sylvain Lootvoet die op 12 maart 1942 in zijn molen gedood werd bij een vliegtuigaanval door geallieerde vliegtuigen.
De molen werd afgebroken in 1951-52. Gerard Delporte bracht de molenonderdelen naar Koksijde over, ze werden overdag door de molenbouwer geladen en tijdens de nacht naar Koksijde overgebracht met behulp van een stokoude vrachtwagen van de gemeentelijke diensten. In drie zulke tochten was het grootste deel van de molen, die 45 à 50.000 kg woog en wieken bezat met een lengte van 12 meter, overgebracht. De kleinere voorwerpen werden dan verder afgehaald door de gemeentelijke vrachtwagens. de heropbouw te Koksijde duurde een vol jaar. Daartoe werd molenbouwer Henri Lejeune uit West-Vleteren aangesproken. Deze riep op zijn beurt de hulp in van zijn neef Julien uit Brielen.
Op 19 april 1954 (Pasen) werd de molen ingehuldigd door het gemeentebestuur en voor de toeristen opengesteld. Het was Henri Deman (uit Koksijde) die aan de heropbouw had meegewerkt, en die als eerste de molen in werking stelde.
De Lootvoet of (2de) Zuid-Abdijmolen te Koksijde
De bliksem teisterde de molen in juli 1958. De schade werd hersteld door molenbouwer Robert Van de Kerckhove uit Ingelmunster (hij herstelde een steekband, een meesterband, de lange en korte berriebalk, een nieuwe loper voor de achtermolen, en verstevigde de molenstaak door het aanbrengen van ijzeren banden). Storm en wind lieten de molen niet ongemoeid.
Tussen mei en november 1969 werd de molen andermaal hersteld door de Gistelse molenbouwer Peel. (Toen werd de voorbalk verstevigd, de plaatvang hersteld, de vangvlegel in de molenkap verhoogd en herbroekt. De pinnenbalk ontving een nieuwe steun, het maneberd werd ook vernieuwd terwijl de baansteen heropgespannen werd. Het molenkarkas werd eveneens versterkt door het aanbrengen van spanstaven en wortels. Het gebint en de windweeg kregen ook een beurt. Begin 1974 restaureerde men de molen opnieuw


Op 13 december 1973 werd de molen als beschermd monument geklasseerd door de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg.
Op 15 oktober 1974 werd het een Beschermd Monument bij Koninklijk Besluit. Na nieuwe restauratiewerken in 1974 was de enige vorm van uitbating van de molen het toegankelijk stellen voor het publiek. Daarbij werden de bezoekers ontvangen door Robert Lootvoet die hem de nodige uitleg verschafte.
Door de lange stilstand van de molen was het noodzakelijk om een aantal nieuwe verbeteringen aan te brengen zodat deze opnieuw maalvaardig werd. Op 17 december 1981 werden nieuwe restauratiewerken toegewezen aan L. Verstraete uit Rumbeke. Op 1 september ving de restauratie aan (vervangen van rotte middenzoom en buitenzoom in de wieken, het vernieuwen van de zeilen en het verbeteren van de vangwerking. Nieuwe gebreken kwamen echter te voorschijn, na een onderzoek verricht door ingenieus Snauwaert. Opdracht werd dan gegeven tot de volledige ontmanteling, totale kostprijs: 14 miljoen.
Sedert 1989 fungeert Patrick Geryl, gediplomeerd molenaar als gids bij uw bezoek aan de molen.
De molen is vandaag uitgerust met alle toebehoren en kan men er weer graan malen, ongeveer 150 kg per uur.. Het gemalen meel wordt op een culinaire manier verwerkt en aangeboden aan de toeristen door twee plaatselijke bakkers.
Het silhouet van de Zuid-Abdijmolen is een integrerend deel geworden van de gemeente Koksijde en niet te vergeten van de abdij Ten Duinen.
Van bij de aanvang bracht dit oud-ambachtelijk gewrocht een kunstzinnige verrijking van het natuurgebied "Noordduinen". Een houten windmolen is een verantwoord, gaaf en oud streekeigen voorwerp, dat in een toeristische streek heel wat belangstelling wekt.
Monument ter nagedachtenis van de Belgische en Geallieerde piloten en boordpersoneel
Het monument werd ontworpen als een vuurtoren. Op de voorkant staat de tekst '1914-1918, 1940-1945, Aan de Belgische en Geallieerde Vliegers.' Met daarbij de tekst van de Vlaamse Letterkundige Karel Van de Woestijne: 'Als een meeuw uit een storm-zwerk is hij gevallen.' Op de achterkant de teksten 'Aux héros de l'air Belges et alliés qui vainquirent ou moururent dans le ciel de Coxyde.' Tevens is er een bas-reliëf met een zittende moeder en kind, wijzend naar een dalend vliegtuig en een tweede met de gevleugelde overwinningsgodin die voor enkele vliegtuigen uitvliegt.
Het monument werd onthuld op 12 augustus 1951. De bas-reliëfs werden ontworpen door de beeldhouwer Joseph Witterwulghe (° 1883, Brussel - † 1967, Ukkel), een leerling van Julien Dillens.
In 2004 brachten het gemeentebestuur en de Vriendenkring der Oudgedienden van de Kwartier Koksijde een herdenkingsplaat aan voor 'Alle militaire vliegeniers en grondpersoneel van de vliegbasis van Koksijde, overleden in België en in het buitenland (1944-2004).'
Rechtdoor Koninlijke Prins Laan


Ter Duinen
Abdij Ter Duinen Ca. 1107 door Franse benediktijnen-monnik Ligerius in duinen van Koksijde gesticht; 1128: onder abt Fulco, dank zij grafelijke schenking, op meer geschikte plaats gevestigd; 1138: incorporatie in orde van Citeaux; 1155-1167: onder Idesbald van der Gracht, domeinuitbreiding tengevolge indijkingen; XII: oprichting van dochterabdij van Clairmarais en stiching van verscheidene uithoven o.m. .Hemme" (Ramskapelle), .Allaertshuizen" (Wulpen), .Ten Bogaerde" (Koksijde), Voormoer, Moer en Synthe; 1174-1175: benediktijnenpriorij Thosan te Lissewege, wordt cisterciënzerabdij Ter Doest, dochterinstelling van Duinenabdij; beide vormen een grootmacht in het kustgebied; 12141237: uitbouw van Ter Duinen tot groots complex; 1262: inwijding van kerk; het bezit van de abdij overschrijdt tienduizend hectaren domeinen in kustlanden en ingedijkte polders tussen Duinkerke en Nieuwpoort (.Westkwartier"), in Hulster-Ambacht (.Oostkwartier") en begin XIII in Z.Beveland; XIV: eerste tekenen van verval tengevolge financiele, economische en vnl. godsdienstige redenen; 1566: vernietiging van abdij door beeldenstormers; 1578: bezittingen door Orangisten verkocht; 1593: verwoesting van streek door watergeuzen; 1601: inrichting van nabij gelegen hoeve .Ten Bogaerde" als voorlopige abdij (onder abten van den Berghe en Cancellier); 1624: vereniging abdijen Ter Doest en Ter Duinen; l.g. in 1627 definitief overgebracht naar Brugge, in oud refugium van Ter Doest, alwaar eind 1628 de grondvesten worden gelegd van nieuwe abdij welke gedurende bijna twee ecuwen zal standhouden; opheffing in 1796 tijdens Franse Revolutie; bezittingen als nationaal domein verkocht; .Ter Doest ", . Allaertshuizen " en .Ten Bogaerde" opgekocht door monniken; 1833: inrichting van Groot Seminarie in oude gebouwen te Brugge na dood van laatste monnik (Niklaas de Roover).
Koksijdse Duinenabdij: eerste opgravingen in 1897 o.l.v. J. Valckenaere en G. Vallaeys met steun van Brugse .Société archéologique"; aan de hand van schilderij van Pourbus (1580; Groeningemuseum, Brugge) kon ligging van abdij kerk en pand achterhaald worden; verdere opzoekingen in 1911 door E.H. Van de Walle, F. Ancot en Roels; in 1927-'28 door K. Loppens; 1949: nood aan 3000 .moefen" voor herstel van Brugs Seminarie, aanleiding tot meer wetenschappelijke opgravingen; resten van voorportaal, twee zijaltaren en W.gevel van abdij kerk opgedolven; Dienst der opgravingen (Kon. Musea voor Kunst en Geschiedenis) o.l.v. prof. Dr. J. Breuer en Dhr. Roosens, zette zich in van 27 juni tot 20 augustus; 1950- 1951: onderzoekingen door prof. Dr. R. Lemaire (K.U.L.); overige grondvesten van kerk en N.deel van klooster blootgelegd; voor het onderzoek van oude begraafplaats onder abdijkerk werd in 1951 beroep gedaan op Prof. Dr. Twiesselman van Kon. Instituut voor Natuurwetenschappen, dienst Anthroplogie en Voorhistorie, bijgestaan door Dhr. Schittekat; verdere uitbreiding van opgravingen in klooster en kerkkoor; 1952: XVprelaatsgebouw opgedolven; 1953: onderzoek van gebouw der lekebroeders (XIII A); 1954: bouw van museum gewijd aan Duinenabdij; inrichting opgravingsstages voor jongeren vanaf 1966.De opgravingen hebben voornamelijk betrekking op een periode, gaande van XII (stichting van abdij) tot XVI (abdij wordt verlaten).De meeste vondsten vallen binnen dit tijdperk. Tenslotte is, door onderzoek van de oude begraafplaats onder het niveau van de abdij, ruim aandacht besteed aan de periode voor oprichting van l.g., i.e. voor XII. Thans stellen zich problemen omtrent een juiste conserveringsmethode van de ruïnen.
Plattegrond van opgravingspark met overzicht van de tot nog toe blootgelegde delen:
Abdijkerk (1): driebeukige cisterciënzerkerk (cf. Villers, Val-Dieu, Aulne etc.) met kruisbeuk en zevenzijdige koorabsis, van 1214; schip van veertien trav., voorafgegaan door narthex (met grafkapellen), van 1354. N.zijbeuk voorzien van twee zijkapellen gebouwd tussen 1376 en 1406; zoals overige abdijgebouwen opgetrokken uit (al dan niet geprofileerde) baksteen, rustend op hardstenen voetstukken (cf. portaal); steunpijlers en gebeeldhouwde delen van natuursteen (Doornikse kalksteen; grijsachtige Engelse zandsteen); pijlers wijzen op romaanse invloed.
Grote kloostergang (2): ten Z. van kerk, vierzijdige wandelgang rondom binnentuin; W.- en N.panden van elf trav., oorspronkelijk door spitsbooggewelven overspannen, uit XIIIA; W.pand blijkt later bijgewerkt, cf. de bewaarde renaissance kraagstenen; grote vensters voorzien van deelzuiltjes aan tuinzijde; N. pand met grafplaatsen van monniken, de W. met die van lekeweldoeners.
Waterput (3), gelegen in Z.W.hoek van binnenhof; vermoedelijk uit XII, doch in XV-XVI hersteld; binnendiameter van meer dan twee m; metselwerk steunend op massief eiken ring, zelf rustend op reeks in grond geheide palen; bovenrand van gehouwen zandsteen (teruggevonden in put en op oorspronkelijke plaats opgesteld); resten van trap bewaard.
Gang der lekebroeders (4): 7 m brede en 50 m lange, oorspronkelijk overdekte gang, aan Z. kant afgesloten d.m.v. dubbele rondboog (romaanse bouwstijl); een van oudste abdijresten; meerdere, al dan niet bewerkte, kraagstenen, meestal van Doornikse steen, enkele van Engelse zandsteen, in situ bewaard; rondboogdeuren in W.wand, doorgangen naar volgend gebouw.
Gebouw der lekebroeders (5, 6) 13,37 m breed op 80 m lang, met bovenverd.; gelijkvloers ingedeeld in verschillende ruimten, waaronder kapittelzaal (5); l.g. vertoont drie verschillende bodemniveau's, waarvan meest Z. (laagste), bedekt met oude bevloering, deze zaal telt verder vijf zuilen van Doornikse kalksteen op vierkante basis, en twee rondboogdeurtjes, een leidend naar lekebroedersgang, een naar binnenkoertje (7); refter der lekebroeders (6) ten Z. van kapittelzaal met soortgelijke zuilen.
Keukens (8, 9): W.gedeelte, bevloerd met platliggende bakstenen en stenen tegels, bezit o.m. een later tegen O.wand aangebouwde schoorsteen; O.gedeelte vertoont resten van centrale schoorsteen waarvan de rookvang rustte op vier hoekpijlers met Doorniks kapiteel.
Prelaatshuis (10, 11): meer luxueus gebouw met bovenverd., loodrecht op lekebroedersgebouw; gelijkvloerse verd. ingedeeld in meerdere vertrekken (staatsieplaatsen) en verwarmd door vier monumentale schoorstenen; meerdere malen gewijzigd; in XVI voorzien van renaissance-voorgevel; ten N. van staatsievertrekken: gang, bevloerd met in kepervorm gelegde bakstenen. Achter de abtswoning bevonden zich enkele voorraadkamertjes: drie boven elkaar liggende bevloeringen, waarvan de onderste, vermoedelijk XIII, samengesteld uit veelkleurige figuurtegels; op dit niveau eveneens onderste van schoorsteen.
Ten W. van prelaatshuis: gastenhuis (onderkelderd ?; afgebroken voor opbouw van nieuwe abdij te Brugge). XIV-gebouw in gotische stijl met verd. (enkel de fundamenten bewaard).
Dienen nog onderzocht: sacristie, kapittelzaal en vleugel der monniken ten O. van pand; de grote en kleine monnikenrefter, alsook de O.- en Z. gang (met lavatorium) van pand. Aan de overzijde van J. van Buggenhoutlaan bevonden zich eertijds de bibliotheek, het noviciaat, de ziekenzaal, klein pand, woning van prior, etc.


L. – Brialmontlaan
rondpunt rechtdoor Tennislaan

Siska
In 1924 opende de Germaine De Fonseca een vijfde "siska" in de Tennislaan te St.Idesbald. Zij was een kleindochter van de beroemde moeder Siska of Francisca Fincent (1842-1918), die einde 19de eeuw begon met het eerste, befaamde wafelhuis Moeder Siska in Knokke. Door een zware ziekte werd de Siska in St.Idesbald verkocht, net als enkele andere siska's. Wat na al die jaren -gelukkig- niet veranderd is, is het recept en de eigene smaak van de siska-wafel.
Het recept voor het bakken van deze artisanaal bereide wafels dateert van 1882. Ze worden het hele jaar door gebakken en altijd ter plaatse vers gegeten. Ze worden geserveerd met kristalsuiker of platte kaas met radijzen en uitjes. De andere Siska zaken van de kinderen van Marie Siska werden ondertussen verkocht aan derden maar het originele recept werd niet mee verkocht.


Lage villa Tennislaan nr. 15 (hoek Dwarsstraat) werden onder de vensters en voor de deur onmiddelijk plantenbakken ingemetseld

R. – Dwarsstraat
R. -  Koninginnelaan
door tuin Keunekapel
Villa Marguy-Jacquy – Koninginnelaan nr. 106 (kruising Koninginnelaan – H. Christiaenlaan) is een van de beste voorbeelden van modernisme in St-Idesbald. Typerend zijn de blokvormige volumes, de overstekende betonnen dakrand, dat met buisleuningen wordt afgeschermd.

Nr. 38. Keunekapel., benaming ontstaan na 1940. Pas sinds de jaren '40 kreeg de ‘Keunekapel’ zijn naam. De duinen rondom de kapel waren een favoriete plek voor tal van ‘dunekeuntjes’ (duinkonijntjes). Bij Ministerieel Besluit van 07/11/1985 werd de Keunekapel een beschermd monument.

Gebouwd in 1906 door familie Lafosse (Brussel); inwijding op 23/7/1907 door deken Ostyn (Veurne); opengesteld voor eredienst tijdens badseizoen 1907; onder eerste wereldoorlog dienstig als parochiekerk voor Nieuwpoortse vluchtelingen; tengevolge nieuwe kapel van zusters Paulinen (Strandlaan) voor eredienst gesloten op 19/7/1935; verkocht aan kunstschilder en omgebouwd tot villa, zonder uiterlijke wijziging. De gemeente Koksijde kocht de “keunekapel” in 1980 en gaf er een culturele bestemming aan.

De Brusselse familie Lafosse bracht vanaf 1900 regelmatig haar vakantie door in De Panne om na de bouw van het Hotels Des Dunes voor St-Idesbald te kiezen waar ze een groot stuk grond bezaten. Een van de zonen was priester en moest, om de mis te kunnen opdragen, telkens opnieuw langs zandwegen een moeizame tocht naar Koksijde-Dorp ondernemen. Baron Lafosse besliste daarom al snel om in de duinen een kapel te bouwen, die volgens hem meteen een promotie voor de prille badplaats zou beteken. Zonder toelating van het bisdom werd nog in 1906 gestart met de bouw van een kleine kapel, ontworpen door Alfred Knein. Deze Brusselse architect had in 1905 voor de firma Lafosse ook al een pakhuis in Brussel ontworpen.

Verankerd, witgekalkt bakstenen gebouw onder overkragend zadeldak, blijkbaar gemspireerd op bestaande vissershuisjes; gerespecteerd duinenreliëf en -flora; inkom onder luifel; gevels geschraagd d.m.v. steunberen; r.zijgevel met aandak en muurvlechtingen, uitlopend op vlak gehouden klokketorentje.

In de Beeldentuin vinden we de volgende beelden:
Variatie op een vrouwenfiguur van Paul Baeteman

Dit dubbelbeeld heeft een figuratieve en een abstracte zijde. De charme van het beeld gaat vooral uit van de vrouwelijke lijnen. De beelden van Baeteman vragen over het algemeen niet veel uitleg, ze spreken voor zich. Het abstracte element zet de toeschouwer aan tot mijmering.
Paul Baeteman werd geboren te Nieuwpoort in 1933.
Hij studeerde aan de Normaalschool en Academie te Gent.
Hij woont en werkt in Wulpen (Koksijde).
Baeteman werd in feite nooit full-time beeldhouwer en toch is hij volbloed kunstenaar. Als leraar plastische opvoeding en als beeldhouwer is hij goed vertrouwd met de internationale kunststromingen en met de moderne beeldhouwkunst in het bijzonder. Vaak wordt zijn enorme liefde voor het abstracte gedemonstreerd zonder ooit het figuratieve te verwerpen


Summer van Jan Dieusaert
De jonge vrouwfiguur zit aan de ingang van de beeldentuin van de Keunekapel en troont op de hoek van de Henri Christiaenlaan en de Koninginnelaan.
Deze serene naaktfiguur heeft slechts één enkele betrachting: een rustpunt zijn, een streling voor het oog, een verademing…
Jan Dieusaert werd geboren in 1933. Hij woont en werkt in Koksijde. Na 20 jaar vorming aan diverse kunstacademies en doorgedreven zelfstudie gaat hij rustig en doelbewust zijn eigen weg, wars van alle modetrends en conformisme.
Hij gelooft in de dualiteit van zijn kunst waarin het spirituele (inspiratie) en het materiële (vakkennis) perfect samengaan en elkaar versterken.
Zijn werk is realistisch-figuratief met een sterke zin voor het sublieme detail, zowel in de kleinere bronzen als in de monumentale beelden.


Alegria van Martine Hennebel
'Alegria' betekent levensvreugde. Dit werk is ontstaan na een emotionele confrontatie met een voorstelling van Spaanse hedendaagse dans. Ze werd geboeid door het frêle van de verheven danseres, door de tere sensuele vormen door de transparante stoffen heen, door haar kracht om te leven, te bewegen, te dansen, door de spanning in haar lichaam.
De sculptuur is in brons, gemaakt volgens de verloren-was-techniek en is uniek.
Martine Hennebel werd geboren in 1952. Zij woont en werkt in Oostduinkerke. Hennebel genoot een opleiding in grafiek en beeldhouwkunst aan de Westhoek Academie te Koksijde. In 1979 verkreeg ze een studiebeurs van het Ministerie van Kunst en Cultuur. Daarna trok ze naar Salzburg (Oostenrijk) en werkte ze als privé-leerlinge in het atelier van de Oostenrijkse beeldhouwer Josef Zensmaier.
Martine Hennebel maakt vooral gebruik van de verloren wastechniek, bronsgieten en steenhouwen. Sinds 1983 stelde ze meermaals tentoon in zowel binnen- als buitenland.
Sublimatie van Luc Ledène
De titel omschrijft het gevoel dat het werk in zijn totaliteit veroorzaakt bij het aanschouwen ervan. Het project bestaat uit piramidale vormen in cortenstaal getooid met een beeldhouwwerk in arduin. Het is de bedoeling de natuurlijke kleuren aan te vullen met de warme kleur van het cortenstaal: deze vormen in cortenstaal komen als naalden uit de beplanting en geven aan het beeldhouwwerk een gevoel van los in de ruimte hangende elementen. De sculpturen zijn opgebouwd uit organische vormen waarbij de poëzie van het beeldhouwen en de materie aansluit. De beelden zijn als universele wezens die vrij de omgeving 'sublimeren', overstijgen en aanschouwen.
Luc Ledène werd geboren te Veurne in 1955, waar hij nog steeds woont en werkt. Na een opleiding houtbewerking startte Luc Ledène met binnenhuisarchitectuur.
Hier werd zijn interesse voor beeldhouwen opgewekt.
Zijn opleiding beeldhouwen volgde hij in het Sint-Lucas-instituut (hoger kunstonderwijs) te Gent. Nadien werkte hij verschillende jaren als leraar in Brugge voor hij zich als zelfstandig kunstenaar vestigde in zijn geboortestad Veurne en er een galerij en atelier opende. De werken van Luc Ledène kan men terugvinden over de hele wereld.
Luc Ledène start altijd van het natuurlijke, het naakte, de mannelijke torso, de vrouwelijke rondingen. Hij vertrekt van concrete, reële beelden en op een creatief moment laat hij al zijn emoties los.
Just a child van Francine Van Mieghem

Dit werk 'A young tree' is in feite een uitvergroting van een ander werk 'Just a child'. Daarom is het werk nog steeds onder deze naam bekend. Dit beeld werd gerealiseerd in 1999 in opdracht van het gemeentebestuur van Koksijde en maakt deel uit van een serie languitgerekte figuren.
Francine Van Mieghem werd geboren in 1930 te Oostende. Ze woont en werkt nog steeds in Sint-Idesbald (Koksijde) in het huisje dat ze jarenlang deelde met haar echtgenoot George Grard.
Francine Van Mieghem heeft reeds vele jaren een intense band met de beeldhouwkunst. De intense samenwerking met George Grard nam in haar leven en œuvre een centrale plaats in, maar toch legde zij zeer eigen accenten in haar werken.
Omdat ze jarenlang als model fungeerde voor George Grard werd Francine Van Mieghem een bevoorrecht toeschouwer.
Zelf zegt ze over haar werk: “Ik zoek de abstractie in de figuratie, ieder beeld moet abstract zijn, ik wil de menselijke gevoeligheid vatten…”
De zee… schelpen bloeien aan haar adem van Eddy Walrave

Nr. 50. Z.g. .”Sidonia". Alleenstaande villa midden tuin afgezet met betonnen hek. Baksteenbouw met betonverwerking onder zadeldak (mechanische pannen, flauwe helling) met overkragende dakrand op houten modillons. Souterrain met garage en r.inkomportaal met bordes. Vnl. rechth. muuropeningen. Blauw-wit beschilderd houtwerk. Art Deco invloed cf. geometrische roedenverdeling in venster (gekleurd glas) van het trappenhuis en het driezijdige erkervenster op degraderende console, in voorgevel.


L. - H. Christiaenlaan
(hoek met Strandlaan Nr. 234) Résidence La Galiote” (thans Gailotte). Modernistisch hoekhuis bij H. Christiaenlaan, uit de jaren 1930; accent tengevolge afgeronde hoektoren met bekronende .betonschijven" en de verticaal doorlopende muurpartijen; afwisselend hoekige en afgeronde elementen; oculi ter verlichting van trappenhuizen; betonnen afdak met ronde openingen boven gelijkvloers; deels aangepaste benedenverd.

R. – Strandlaan naar Zeedijk en tram
Hotel-Résidence Alberteum (nr. 328-330) (hoek met Koninlijke Baan). De combinatie van een hotelfunctie, een restaurant en comfortabele appartementen vinden we tijdens het interbellum ook terug in andere badplaatsen. De schrijver Willem Elsschot kwam in het Alberteum soms een koffie drinken wanneer hij in St-Idesbald op vakantie was. Hij had er in 1928-1929 de villa Kerkepanne laten bouwen in de Frankrijklaan, ondertussen omgedoopt tot de Willem Elschotlaan. St-Idesbald vormde trouwens het decor voor een aantal scènes uit zijn novelles “Tsjip” (1934) en “Het tankschip” (1941).


 

verbandhoudende artikels:
- Erfgoedwandeling in Sint Idesbald
>roland foulon schreef op 30-09-2009, 21:10
Geachte,
proficiat met je leerrijk artikel. We zullen zeker aanwezig zijn op de wandeling.
Kun je in het vervolg mij telkens verwittigen (per mail) wanneer je dergelijke wandelingen maakt?
Met dank en hoogachting,
Roland Foulon
Strandlaan, 328
Sint Idesbald
>pol deleu schreef op 01-10-2009, 15:46
xxxxxxxxxxxxxxx
>Steven Mertens schreef op 04-07-2011, 16:59
Geachte , na het lezen van uw artikel ben ik gaan zoeken, in mijn postkaarten verzameling en vond verschillende kaarten uit de jaren 40 gericht aan Jan Van Looy op het adres Av Des Lutins 'in den rare vogel' . is dit adres bekent bij u en gaat het over Jan Van Looy de kunstenaar die daar verbleef ?
Graag uw reactie.
mvg
Steven Mertens
uw naam
uw e-mail
uw bericht
getal overnemen: 10748
 
     
   Copyright © 2007 allesoverkust