Sinds 1992 wordt door de Provincie West-Vlaanderen in samenwerking met het Vlaams Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (I.A.P.) een grootschalig archeologisch onderzoek gevoerd naar de middeleeuwse vissersnederzetting Walraversijde. Diverse universiteiten en onderzoekscentra uit binnen- en buitenland zijn bij allerlei deelaspecten van het onderzoek betrokken. In juni 2000 werd door de provincie een sitemuseum over het laatmiddeleeuwse Walraversijde geopend.
Op 21, 22 en 23 november 2003 wordt er een colloquium georganiseerd door de provincie West-Vlaanderen, het I.A.P., de Vrije Universiteit Brussel en het Vlaams Instituut voor de Zee. Dit colloquium moet bijdragen tot een internationaal netwerk - van musea en andere instellingen - rond vissers en visserserfgoed uit de Middeleeuwen en later, en het maritiem erfgoed in het algemeen.
Het colloquium moet ook bijdragen aan de discussie over de wetenschappelijke studie van maritieme milieus uit de Middeleeuwen en later en de plaats van de archeologie daarin. Het wil het uitzonderlijk belang van Walraversijde en van de aanpak van het onderzoek van Walraversijde binnen de wetenschappelijke wereld en bij allen die begaan zijn met of verantwoordelijk zijn voor het visserserfgoed ruimere bekendheid geven.
De archeologische site Walraversijde dankt haar belang aan een reeks van factoren. De natte en kalkrijke klei zorgt eerst en vooral voor de goede bewaring van resten in organisch materiaal zoals hout, leder, textiel en bot. De korte bewoningsduur van een groot deel van de nederzetting heeft verder voor een goede archeologische leesbaarheid gezorgd. Dit deel van de nederzetting is bovendien kort na het verlaten ervan omgevormd tot landbouwland waardoor belangrijke latere verstoringen zijn uitgebleven.
Door het feit dat vissersmilieus zich meestal vlak op de kust bevinden zijn heel wat dergelijke nederzettingen ten gevolge van kusterosie in zee verloren gegaan en dit niet alleen in Vlaanderen maar ook langs de oostkust van Engeland en in Nederland. Er zijn dus niet zo veel vissersnederzettingen overgebleven die vatbaar zijn voor een grondig archeologisch onderzoek. Tenslotte heeft de provincie West-Vlaanderen het mogelijk gemaakt dat een groot deel van deze site in goede omstandigheden kon worden opgegraven.
Het onderzoek leverde o.a. nieuwe inzichten op met betrekking tot de socio-economische positie van dergelijke milieus. Waar het traditionele beeld van vissers er vooral één is van armoede en marginaliteit, kunnen we nu stellen dat dit in de late middeleeuwen niet het geval was. Vissers leefden toen letterlijk wel aan de rand van de maatschappij maar konden dankzij diverse andere activiteiten dan vissen (zoals handel, piraterij, strandjutten en loodsdienst) een zekere status etaleren door het feit dat ze toegang hadden tot een groot gamma aan producten waar anderen, meer landinwaarts, geen toegang toe hadden: bijvoorbeeld voorwerpen in ivoor, luxe ceramiek, granaatappels en diverse exotische kruiden en specerijen zoals kruidnagel en paradijskorrels.
|