|
Troubadour en kleinkunstpionier
Interview met Miel Cools
In een live-uitzending van Pliets Plets Culinair
van de Gentse stadsradio Roeland, gepresenteerd door Johan Dhaene,
hoorden wij Miel Cools zeggen "Kleinkunst is een virus. Eens men
het heeft, geraakt men het nooit kwijt". Voldoende om na de uitzending
een afspraak te maken om eens na te praten over het ontstaan, de
groei en de toekomst van een kleinkunstartiest. Het gesprek greep
plaats in de gezellige living van huize Cools in Hasselt.
Miel Cools ?
De tradionele eerste vraag is altijd, wie is ... ,omdat voor mij
ook de mens achter de artiest belangrijk is. Miel moet diep nadenken
: "Ik zou je daarop willen antwoorden maar ik kan het niet omdat
ik dikwijls zelf niet weet wie ik ben. Ik denk dat het misschien
de grootste opgave is van iedere mens die geboren wordt om gedurende
zijn leven zichzelf te leren, te ontdekken wie hij is en wat hij
is, hoe hij reageert en wat er allemaal inzit. Wie Miel Cools is
weet ik nog niet. Maar sommige aspecten hebben zich toch duidelijk
in mij geprofileerd. Ik ben iemand die van muziek houdt, die graag
zingt, die van mensen houdt en graag optreedt. Nog altijd, ook al
ben ik 65 en houd ik het nu reeds 50 jaar vol."
De zanger Miel Cools
"Ik zing op de eerste plaats omdat ik graag zing. Wat ik dan zing
is bijzaak. Achteraf is dat geen bijzaak gebleken, maar dat is een
ander verhaal. Ik heb ooit trachten te formuleren wat zingen voor
mij betekent en kwam tot de conclusie dat zingen voor mij ademen
op klank is. Als ik geruime tijd niet zing dan word ik ziek. Zingen
is een noodzaak. Ik zing omdat ik het heel graag doe, omdat ik moet
en omdat het in mij ligt. Aanvankelijk zong ik vanalles. Eerst de
liedjes die ik van mijn vader leerde, want ook hij zong graag. Ik
wilde gitaar leren, maar kreeg er aanvankelijk geen omdat ik eerst
moest studeren. Dus leerde ik gitaar spelen op de gitaar van de
buren. Later zagen mijn ouders in dat het toch niet anders kon omdat
ik meer naast mijn boeken dan in mijn boeken bezig was. Ik was in
die tijd echt verliefd op mijn gitaar en zou ze mee in bed genomen
hebben."
Miel voegt er aan toe dat "Dat jongetje
van zeven" op zijn laatste CD autobiografisch is. De zanger Miel
Cools zong traditionele liedjes, Hawaiaans, covers. Hij volgde ook
korte tijd klassieke zangles.
De kleinkunstpionier.
"Op zekere dag hoorde ik in het cabaretprogramma "Wegwijs" op radio
Hilversum Jules de Corte liedjes zingen over de opstand in Hongarije.
Meteen wist ik het: "dat is het, dat wil ik ook doen; dat is het
mooiste wat ik ooit hoorde". Langzamerhand, mede door Jaak Dreesens,
die mijn eerste kleinkunstliedje "Geef mij tijd" schreef, schakelde
ik tijdens mijn optredens over. Dat ging niet zonder slag of stoot
want het publiek aanvaardde dit aanvankelijk niet. Ik had nog nooit
een compositie op een tekst gemaakt, maar het lukte."
Miel illustreert zijn betoog met een verhaal
uit Eeklo " In Eeklo heb ik voor het eerst kleinkunstliedjes willen
zingen, want dat bestond hier in Vlaanderen nog niet. Men had alleen
Kor van der Goten in Antwerpen maar die kende ik toen nog niet.
Tijdens dat optreden in Eeklo begon ik voor de pauze met mijn kleinkunstrepertoire
met o.a. "Ik zou wel eens willen weten", "Als een ballon een ballon
...". Tijdens de pauze stapten de organisatoren naar me toe en vroegen
wanneer het optreden eigenlijk ging beginnen en of ik in het tweede
deel toch liedjes zou zingen, want wat ze gehoord hadden waren gedichtjes
op muziek."
De troubadour.
Miel heeft het allemaal meegemaakt en heeft een hele evolutie doorgemaakt.
De kleinkunst in Vlaanderen begon bij de Nederlanders, die men ging
nazingen. De luisteraars moesten hier nog met het kleinkunstgenre,
dat ze gezongen poëzie noemden, vertrouwd geraken. Klanken moesten
woorden worden en deze woorden kregen een betekenis. Voor Miel was
het duidelijk "kleinkunst was niet zo eenvoudig en vanzelfsprekend".
"Langzamerhand is het gegroeid, mede door
de Leuvense studenten (Bob Wezenbeek) die de "Kleinkunsteilanden"
organiseerden. Kor van der Goten en ik geraakten over heel Vlaanderen
bekend. Hugo Raspoet, Antoon Decandt en anderen volgden onze voetsporen
en de kleinkunst werd definitief op de rails gezet. Ik kon als eerste
troubadour op het ANZ Zangfeest optreden. Kleinkunst was in en door
de jeugdorganisaties werd het gepromoot en kregen nieuwe kleinkunstenaars
kansen."
De evolutie.
Miel heeft de bloei en het verval van de kleinkunst meegemaakt.
Ik wil weten in welke periode we nu zitten. "Alles staat op losse
schroeven. De evolutie gaat zo snel door de techniek. Maar de jaren
zestig en zeventig, waarin de kleinkunst opbloeide, waren bijna
uitzonderlijk.De kleinkunst was zo in, dat alles kleinkunst was.
Het had voldoende niveau om door de grote culturele organisaties
aangetrokken te worden. Dat heeft de kleinkunst doen exploderen.
Er kwam een te snelle groei die men niet tegen kon houden. Wij hadden
gevochten tegen het dialect en opeens waren daar de folkgroepen
die in de streektaal zongen. Daarnaast werden vanuit de Angelsaksische
muziek elektrische gitaren ingevoerd en onstond er een nieuwe generatie
zangers.
De kleinkunst zit momenteel, zoals in Frankrijk,
op een normaal niveau en leeft naast het commerciële circuit. Men
zingt nu wat men kan verkopen en de echte kleinkunstenaar komt jammer
genoeg te weinig in de media aan bod."
Als ik Miel vertel over de Nekka-wedstrijd
die toonde dat er voldoende jong talent is dat in het Nederlands
zingt, valt hij bijna achterover. Hij vindt dat de Culturele Centra
de taak moeten hebben om jong talent te promoten, zodat deze artiesten
ook bekend geraken.
Media en jongeren !
"De kleinkunst krijgt in de media te weinig kansen. De media is
bepalend voor het gedragspatroon van de jongeren. Een kunstvorm
zoals kleinkunst moet bloeien dankzij de jongeren. Ze worden te
veel met het Engelstalige in contact gebracht."
Ook wil ik weten of de drempel van de Culturele
Centra niet te hoog is voor jongeren. Vroeger traden artiesten op
in kleine zaaltjes en werden de kleinkunstavonden door plaatselijke
organisaties georganiseerd, die van deur tot deur met kaarten gingen
leuren. Velen kwamen naar dergelijke avonden omdat ze met de beweging
sympathiseerden of omdat ze aan de deur een kaart kochten. Ongedwongen
kwamen velen in contact met de kleinkunst. Nu moet men vooraf een
kaartje aan een kassa gaan kopen. Miel is dezelfde mening toegedaan
en vindt ook dat de drempel misschien iets te hoog ligt. Hij is
er echter ook van overtuigd dat er te weinig echte kleinkunstavonden
door de Culturele Centra geprogrammeerd worden. Hij vergelijkt het
met Nederland, waar dat wel gebeurt en waar er volk is. "Vlamingen
vormen een volk dat langzaam beseft waarmee ze bezig zijn. De Culturele
Centra programmeren liever buitenlandse groepen en grote namen dan
onze eigen kleinkunstenaars."
De macht van de media.
Als ik het over de macht van de media in onze samenleving heb, maakt
Miel zich kwaad omdat hij niet kan verdragen dat de ene artiest
of mens afgebroken wordt en de andere opgehemeld, zonder dat er
redenen voor zijn. Om zijn betoog te staven, citeert hij Toon Hermans
die enkele dagen voor zijn dood vertelde: " Ik heb mijn leven lang
mensen gehad die mij met de grond gelijk wilden maken, die mijn
bloed wel konden drinken en ik heb ook mensen gehad die mij aanbaden.
Dat is altijd zo." "Er zijn altijd mensen die zich op de eerste
plaats willen dringen zodat de anderen moeten zwijgen. Toon Hermans
hebben ze in de jaren zeventig zwaar gepakt. De laatste tijd was
hij weer de afgod. "De grootste van allemaal" zeggen ze nu. Maar
zo zijn die kinderen hé. Het zijn kinderen die het voor het zeggen
hebben. Ze komen in de pers terecht en kruipen achter de microfoon.
En wat gedrukt staat of op TV gezegd wordt, is voor de mensen nog
altijd de waarheid. De media zijn voor het ogenblik gevaarlijk omdat
ze een macht geworden zijn die kan breken. De deontologie lag vroeger
heel anders. Vroeger was er een soort moraal, een soort geweten.
Dat is aan het verminderen. Men schrijft tegenwoordig in functie
van cijfers. De kijkdichtheid is het belangrijkste geworden, niet
de kwaliteit."
Singer/songwriter.
Miel Cools is nooit een zuivere singer/songwriter geweest omdat
hij zijn teksten nooit zelf schreef. Hij beperkt zich tot het geven
van richtlijnen en het componeren van de muziek. Zelf vertelt hij
hierover: "Het begint bij het idee dat ik heb of dat anderen mij
aangeven. Met dit gegeven zoek ik een tekstschrijver. Die vraag
ik mijn idee in een liedje uit te schrijven. Ter illustratie vertelt
hij over het ontstaan van "Dat jongetje van zeven", Louis Verbeeck
en ik gingen naar een voorstelling en in de auto vertel ik hem hoe
het als kind allemaal begon. Hoe ik op een stoel moest gaan staan
en tijdens de familiefeesten zong. Een paar dagen later was het
liedje al klaar. Met "Ik weet het wel", op tekst van Walter Evenepoel,
is het anders gegaan. Ik had de melodie al lang klaar en wou er
absoluut een tekst voor hebben. Verschillende tekstschrijvers geraakten
er niet uit. Tot Walter mij vertelde dat hij er wel een tekst op
zou schrijven." Miel vertelt ook dat hij aan bepaalde teksten sleutelt
tot ze voor hem goed zijn.
"Niet bang zijn"
15 jaar na zijn vorige CD ligt sinds enkele maanden "Niet bang zijn",
met veertien liedjes, in de winkels. Waarom het zolang geduurd heeft
? " Het impressariaat Lummen, die mij in Nederland werk gaf , stopte.
Daarbij was ik lichamelijk niet zo fit als nu, na mijn hartoperatie.
Is was moe en de tijden waren niet gunstig. Er kwam minder werk
en ik zat met mijn gezin. Ik wou op zeker spelen en ben dan maar
een wijnhandel begonnen, waar al mijn energie naartoe ging. Af en
toe ging ik nog optreden. Maar ik werd minder creatief. Omdat de
zaak nu door mijn zoon overgenomen is, heb ik weer tijd om mij volledig
op het zingen te concentreren."
Ik merk op dat zijn tong op "Niet bang
zijn" scherper geworden is. Hij zegt concretere zaken dan vroeger.
Miel beaamt dit volmondig en vertelt dat het daarmee niet eindigt.
Op zijn volgende CD, waarmee hij reeds bezig is, zal zijn tong nog
scherper zijn.
Hoe dit komt ? "Omdat ik ouder word en
de zaken door een andere bril zie. Het is maar normaal dat er bij
een mens een constante beweging is. Anders zou het maar triestig
zijn. Ik ontdek nu, op latere leeftijd, dat ik moet contesteren.
Iets wat ik vroeger misschien te weinig deed. Ik heb wel protest
en andere liedjes gezongen, maar sommigen wilden het graag anders
horen. Het enige wat ik niet deed, was zingen over dingen die ver
van mijn bed waren. Maar op het zangfeest heb ik tegen Suenens gezongen.
Het grootste engagement is voor mij kwaliteit. Er is een tijd geweest
dat het mode was om Cools aan te vallen, omdat ik niet links of
rechts was."
Op "Niet bang zijn" vind ik ook veel nostalgie
terug. Ik wil weten of Miel Cools schrik heeft om ouder te worden.
Zijn antwoord is kordaat: "Neen, ik heb bijna een doodervaring gehad.
Ik ben niet bang voor de dood. Ik kijk wel veel achteruit omdat
men van de geschiedenis leert. Ik heb te veel mensen gezien die
zichzelf niet kenden. Daarom moet ik gaan kijken wat ik heb gedaan.
Ik moet daarover nadenken en mezelf in vraagstellen. Anders blijf
je maar in het wilde weg roeien, en dat is gevaarlijk. Zo besef
ik nu pas dat ik er niet was bij de opvoeding van mijn kinderen.
Ik was altijd naar optredens en had geen tijd om daarover na te
denken. Ik had geen andere keuze, want ik moest werken voor vrouw
en vier kinderen. En een artiest werkt nu eenmaal 's avonds. Ik
heb geen schuldgevoelens. Ik weet dat mijn kinderen dezelfde problemen
zullen hebben, want bouwen aan een carrière vraagt veel tijd."
Toekomstplannen ?
Miel bruist weer van vitaliteit. Hij is aan de opbouw van een nieuwe
CD toe en gaat volgend jaar voor het eerst langs de Culturele Centra
toeren met een orkest. ( Houthalen 30/9/200, Herk-de-Stad 13/10/2000,
Ravels 21/4/2001 en Mol 18/5/2001 liggen al vast)
Als ik naar mijn uurwerk kijk, bemerk ik
dat wij al drie uur aan het praten zijn en nog is Miel niet uitgepraat.
Hij wil nog zoveel zeggen. De man die men ooit verweet te zacht
te zijn, wil bewijzen dat hij een mening heeft, dat hij niet altijd
akkoord gaat met de draai van onze samenleving. Ik kijk er alvast
naar uit, want Miel wil overal zingen overal waar men hem vraagt.
Geen moeite is te veel.
Met een stevige handdruk verlaat ik huize
Cools. Nadat wij elkaar tot ziens toegeroepen hebben, start ik voor
een meer dan 100 km lange tocht naar Lebbeke. Maar Cools gaf mij
genoeg stof mee om die kilometers te overbruggen.
Harry De Bock
|